Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

Marc Peire over fresco Luc Peire

mei 1993 Marc en Luc Peire bij het fresco: Dvocatie van Vlaanderen uit 1951 - foto Els Soetaert

Het was een mooie dag in mei van het jaar 1993 toen oom LUC mij te Sint-Kruis kwam bezoeken. Na het overlijden van zijn vrouw Jenny zocht hij zijn dichtste familietak, nl. de kinderen van zijn broer, met hernieuwde liefde op.
Zelf was ik nu kersvers eigenaar van het huis mijns vaders, LUC Peire's enige broer, die het jaar daarvoor was overleden. De ouderlijke tweewoonst (bouwjaar 1951) bewoonde en beleefde ik vanaf februari 1953, de maand van mijn geboorte. Getogen tegen het bonte decor en gevoed door de rijke fantasie van twee monumentale fresco's die Nonkel Lus (zo noemden we van kindsbeen af die vreemde reizende oom naar zijn volle naam Lucien / mijn ouders noemden hem 'den Genten' [uitgesproken als 'den Sjenten'] er in 1951 op de verse natte kalk met de toestemming van mijn vader (en misschien ook van mijn moeder) had mogen aanbrengen. In het salon (mijn ouders noemden het 'de eetkamer') aan de straatzijde: Evocatie van Vlaanderen. De titel komt van de schepper. Vader parafraseerde dit liever als Geen rijker kroon dan eigen schoon.

In de kamer erboven (de 'voorkamer'), waar mijn grootmoeder ('marraine') - mijn vaders en Nonkel Lus' moeder- als weduwe (vanaf 1948) nog enkele jaren (vanaf 1951) had ingewoond: Zeebrugge '51, links en rechts van de schouw. Deze titel komt van mij, naar Z 51, af te lezen op één van de afgebeelde bootzeilen bij de visserskade. De staande visser en de zittende vissersvrouw hebben mijn broer Patrick, mijn zus Anneke en mij, als jongste, geduldig begeleid tijdens onze lange studiejaren, toen de kamer in haar tweede functie als 'bureau' was ingericht en zelfs voorzien van een breed zwart muurbord.

Luc Peire De weduwe uit 1951 foto: Bollaert en Moortgat
1951 Knokke - Luc Peire schildert zijn cinemabezoekers 'al fresco' foto van Jenny Peire

Nu bevrijd van boekenrekken waken vissers- en vissersvrouwenprofiel over mij, in de nachtelijke stilte van de slaapkamer. Op de plaats van het didactische zwart waakt eveneens, boven het hoofdeinde van mijn bed, De Weduwe, een doek dat Peire in zijn frescojaar 1951 schiep naar zijn moeder, frontaal betraand, rechtop gehuld in rouw.
Tweeënveertig jaar later konden de fresco's te Sint-Kruis niet meer rekenen op de volle appreciatie van hun schepper. Peire's wereld was nu die van de pure abstractie. Na zijn bezoek schonk hij mij, bezit¬ter van zijn enig bewaarde fresco's, de zware houten schouderbak met in gesloten glazen bokalen de restanten van de kleurpoeders waarmee hij in 1951 te Knokke en te Sint-Kruis de witte natte kalk te lijf was gegaan. Vit kan van pas komen bij restauratie...', luidden zijn zorgende woorden.
Het voelde mooi aan toen op een najaarsdag in l 994 Peire-kennerJaak Fontier mij in volle nieuwsgierig¬heid thuis kwam opzoeken om de voor hem compleet onbekende muurfresco's te mogen bekijken. Mijn oom-kunstenaar was op 7 februari 1994 gestorven. Tijdens de crematieplechtigheid te Parijs (Père Lachaise) - een vurige wens van mijn oom om daar van de kunstwereld afscheid te kunnen nemen -had ik Jaak op de hoogte gebracht van het bestaan ervan. Jaak had zelf al in de jaren '50, toen hij in Knokke woonde, wachtend tussen het cinemapubliek, fresco's van Peire gezien: de op humoristische en lichtjes karikaturale wijze uitgebeelde Cinema-bezoekers en Filmtypen in de gang naar het loket en de zaal van de (nu verdwenen) bioscoop Monty (de achterbouw van het intussen ook al afgebroken Noordzeehotel van Huib Hoste).

Nu ging de kunstessayist zich minutieus voorbereiden op een artikel over Peire's integraties in België voor de catalogus van de retrospectieve tentoonstelling LUC Peire in het Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen in 1995. Hierdoor bood zich dus een unieke gelegenheid aan om ook te schrijven over het niet bekende frescowerk te Sint-Kruis.
In serene bewondering wandelden wij samen door de kamers, bekeken, becommentarieerden, vereer¬den de gedroogde muurverhalen, ze respectvol situerend binnen Peire's stijlontwikkeling.
Het was dan ook een mooi moment in 1995 voor het eerst over die muurtaferelen iets gepubliceerd te zien. Jaaks oog en geest hadden een edele tekst voor de catalogus geleverd. Besparen wil ik u die niet. Laat toe, Jaak en lezer, dat ik mij, mezelf af en toe in mijn huiselijke kindertijd verplaatsend, overgeef aan spontaan eigenzinnige en informatieve commentaren als blauwe parentheses, een onbedwingbare behoefte mij soms eigen...
Voor de ontwikkeling van de picturale visie, de verwerving van nieuwe formele inzichten en de groeien¬de belangstelling voor de betrekking muur-schilderkunst, waren de reizen naar Italië die LUC Peire (samen met mijn tante Jenny) tijdens de tweede helft van de jaren veertig maakte, van grote betekenis. Niet zozeer het cinquecento als wel het trecento en het quattrocento boeiden hem. Voor alles echter maakten de werken van Giotto, Paolo Uccello en Piero della Francesca een diepe indruk. Af te lezen op het oeuvre uit de periode 1948-195 l is de aandacht voor de beginselen van de 'novus ordo' waarvan Giotto aan de basis lag: de directheid van de uitbeelding, de concrete opvatting van de ruimte, het rustige ritme, de natuurlijke eenvoud, de eenheid van voorstelling en beeldende waarden. Vanuit de bewondering voor Giotto en de Italiaanse muurschildering besloot iuc Peire de frescoschilde¬ring aan te leren (dit gebeurde op de Balearen in 1950).

evocatie vn Vlaanderen 1951 Luc Peire foto van Marc Peire

Toen zijn broer een woning liet bouwen te Sint-Kruis bij Brugge (dat was het jaar daarop - 'den C/enten' was dan al terug uit het Zuiden) deed zich de unieke kans voor de pas verworven techniek in dit huis in toepassing te brengen. De twee in 1951 beschilderde wanden in het huis zijn zuivere voorbeelden van al fresco, d.i. beschildering op natte kalk.

Zeebrugge 1951 Luc Peire

In de woonkamer is Evocatie van Vlaanderen een 189 cm hoog en 443 cm breed schilderwerk, waarin de geschiedenis (glorieus verleden en heden!) van de eigen streek opgeroepen wordt door middel van twee Bourgondische dames (hoe hooghartig met gesloten ogen gingen die altijd aan ons voorbij! We waren geen blik waard), een ridder met het wapenschild van Vlaanderen (het zwarte harnas op het witte
paard boezemde mij als kleine kleuter zo'n angst in), de middeleeuwse stad en haven (dit verklaart de aanwezigheid van de voet- en armloze Franse matroos wandelend met zijn even voet- en armloos hoertje vóór het bruine trapgevelhuis), de kerktoren van Domme en gotische bogen (die bogen had Nonkel Lus louter als opvulling rond de deuropening aangebracht. Hij vond niets beter, wisten mijn ouders te vertel¬len). Tijl en Nele, in groot formaat links en rechts uitgewerkt, overstijgen de geografische en historische beperkingen en lijken door houding en stijl verwant met figuren uit de renaissance (zie de bedelhand van Tijl!). Vooral de gestalte van Nele roept door stilering, lijnvoering en koloriet eerder een Fra Angelico-madonna (van de annunciatie) op dan een Vlaamse vrouw, (in tegenstelling tot de Bourgondische dames boog Nele zich altijd nederig naar ons toe. Ze volgde ons met haar zorgende blik...) (En verder natuurlijk de fascinatie voor de hoogvliegende zeilbootjes in de zee van lucht. Onwaarachtig mooi dit foute perspectief op basis van de brede kleurbanden! Pas veel later ontdekte ik dat de drie cabines op het strand op wielen stonden).

Zeebrugge 1951 Luc Peire

In één van de kamers op de verdieping heeft Peire eveneens in de frescotechniek een tweedelig werk uitgevoerd, Zeebrugge '51, een tweeluik als het ware (links: h 255,5 x b 132 cm / rechts: h 255,5 xb 137 cm) waarvan de delen door een vooruitspringende schoorsteen gescheiden zijn. Tegen de achtergrond van boten met masten en zeilen staat aan de ene kant een visser (met pijp in de mond), zit aan de andere kant een vissersvrouw (netten herstellend) (en ze kijken zeer liefdevol naar mekaar, elk vanuit hun profiel). De voor hen uitgestorte producten van de zee, vissen, krabben, een zeester, vormen stillevens. (Het duurde ook lang voor ik doorhad dat de grote vissen uit een omgevallen mand afkomstig waren) (bekijk eens die gevaarlijke blauwgrijze krab en rode kreeft!)

Stilistisch sluiten vooral de figuren van de Nele-madonna en de vissersvrouw aan bij die van het schilderij De Familie Godderis (1951} dat we kenmerken als een sleutelwerk in de evolutie die de geleidelijke, stapsgewijze overgang betekende van een vereenvoudigde, heldere, overzichtelijke en reeds door strenge constructieve beginselen geordende figuratie tot ruimtelijke, ritmische, zuivere verticale, niet-figuratieve compositie, waarvan Marcinelle 11956} en Het Nieuwe Rijk 11956} als eerste voorbeelden kunnen gelden.' (Jaak Fontier)

Een mooie gelegenheid bood zich aan zelf mijn ouderhuis, al was het maar in een voetnoot, te voegen bij 'De ateliers van LUC Peire', eerlijk en hartelijk beschreven door mijn tante Jenny. Haar dagboeknotities werden postuum uitgegeven door Ludion in 2001. Hierin annoteerde ik het volgende:   'De op de Balearen aangeleerde frescotechniek (12de atelier) noopt de kunstenaar tot een snelle en vereenvoudigde verbeelding van het thema met omlijnde vlakken
over een groot oppervlak. Deze techniek ligt ongetwijfeld mede ten grondslag aan Peires drang om in datzelfde jaar {1951} op groter formaat te gaan schilderen fals reizend kunstenaar was hij veelal uit praktische noodzaak aangewezen op kleinere formaten). Hij past a.h. w. de frescostijl op doek toe en komt zo tot een schematiserende fin enkele gevallen zelfs bijna karikaturale) uitbeelding, waarin hij geleidelijk evolueert naar een intenser stileren en abstraheren van de werkelijkheid.' Peire's stijlstap van de muur naar het doek in '51  lijkt mij dus onmiskenbaar.