Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

Paul Vanderschaeghe



Paul Vanderschaeghe werd geboren in Handzame op 28 september 1930 en promoveerde aan de universiteit van Gent in de Germaanse filologie. Zijn hele carrière was hij leraar Nederlands en Duits aan het instituut Hemelsdaele in Brugge. Hij had een grote belangstelling voor cultuur en voor literatuur in het bijzonder.

Hij ontpopte zich als een productief auteur die, na enkele dichtbundels, op 30-jarige leeftijd als romancier debuteerde met de roman Vergeef mij, Kajafas. Andere romans van zijn hand zijn De straat waarin je leeft, De twee honden en Op de spiegel gezet.

Hij schreef ook verhalen, vertalingen en monografieën (o.m. Ernest Hemingway en Stefan Andres). Het werk van Paul Vanderschaeghe werd bij herhaling gelauwerd. Zo kreeg hij o.a. de Guido Gezelleprijs en de literaire prijs van de stad Brugge voor Vrouwen voor Bakelandt, een reeks van vijf monologen over de beruchte struikrover en de vrouwen die een rol gespeeld hebben in zijn leven. Hij schreef ook de verzen voor de kalender, met pentekeningen van Andreas Van Poucke, die uitgebracht werden door Male waar wij wonen

Paul Vanderschaeghe woonde in de Pelderijnstraat 48 en was gehuwd met Yvonne De Roo, hij was vader van vier kinderen en grootvader van zes kleinkinderen. Op 25 september 2001 was de uitvaartplechtigheid in de parochiekerk Thomas Van Kantelberg in Male. Hij overleed op woensdag 19 september 2001 in het Elisabethziekenhuis in Sijsele. 

Uit: 'Kroniek Sint-Kruis 2001" van Werkgroep geschiedenis Sint-Kruis

Paul Vanderschaeghe won met onderstaand gedicht de Prijs van Heist 1966.


Verlenglijn van het genezen
 
Morgen jagen de wolven in de sneeuw.
 
Dan wordt het winter. Met de laatste vogelschreeuw
 
vallen mijn woorden in de fuiken van herinnering,
 
schreeuwen de hazen nog haastig hun dood.
 
Als ooit het ogenblik mij openslaat
 
op wat aan eeuwigheid in mij bestaat
 
tot bittere pit verdicht,
 
word ik dan als een vogelschreeuw
 
boven dit ijs van angst gelicht
 
en naar de dood gedragen?
 
 
 
Zo zeldzaam wordt de pen, de neuriënde stift
 
die mij versnijdt tot water.
 
Zo zeldzaam is de voelhoorn die mijn wereld ziet,
 
mijn zenuwwonde. Blindlings ben ik, anders niet
 
dan deze tere vogel op papier
 
en die zijn zaad schiet in de wond der woorden.
 
 
 
Nauwlijks uit hun klavergras
 
en lachend in de zon, of waterpas,
 
staat nooit een kemphaan, nooit een krieler kraaiend,
 
niet eens een doffer in verliefde veren laaiend
 
van wellust die de zin der woorden vreet.
 
 
 
Zo zelden springt het woord wild naar de keel
 
der ogenblikken (vlucht en val en vederlichte tuimel).
 
Wat ik bewaar, soms hopeloos beduimel
 
is maar een dor en lijfloos vel,
 
zo zonder roodborst, zonder porie, zonder zin
 
die in de bomen bloeit en groent in alle grassen.
 
Ik word nooit meer de vogelvrije pijl,
 
de genster uit het vuur gesneden.
 
Ik tik maar woorden, tik dit hopeloos verwijl...
 
en dat ik aardezwaar door zon en zenuw word bereden.
 
 
 
Ik zet mijn venster toch beweeglijk op de wind.
 
Het wordt de spiegel waar een ander ziet (en vraag niet wie)
 
de bomen, wolken, apodictisch alle dromen
 
als appelen in takken van berijpte bomen.
 
Zie, gistren slaapt nog in zijn avond,
 
slaapt onder mijn hand en doder dan de steen aan zee.
 
Tussen mijn mond in en de witte dag
 
trilt als een speer de zeldzame vogel.
 
Hij zingt niet meer dan met de heks der sproken.
 
 
 
Striem ik een auto - honderdtachtig - ijzig -
 
toch is hij net nog niet het paard waarvan ik droom.
 
Paarden klieven met lenigheid hun dagen.
 
Weldra, in de versleten avond (in de vijver
 
waar de baggermolen aan het eiland heeft geknoeid,
 
waar gekken rooiden al de talie van de bossen),
 
kruip ik in mijn slaap. Gewezen engelen
 
vluchtten nooit anders hun verbazend paradijs.
 
 
 
Morgen, zeg ik, morgen wordt het winter.
 
Takken kreunen in hun keurslijf van versteven dauw.
 
De kindren knauwen appelen. Hun mond hangt lauw.
 
Vrouwen sluipen op en af de trappen in het koude huis.
 
Hun dijen ritselen in dorre kant van ijzel.
 
Er zijn geen vissen meer, geschapen voor de wieren.
 
 
 
In deze tussentijd verdicht de lucht tot melkijs.
 
Je trapt er met elk woord bot door een wad.
 
Dit zij gezegd. Er zij gezwegen (ook over woorden,
 
luistervinken aan het loergat van mijn hart).
 
 
 
Gisteren ligt doder dan de steen aan zee.
 
Thans weet ik meer doorheen mijn handen
 
dan de speurtocht van mijn ogen leert.
 
Zoog ik de wilde tepel van uw angst, mijn aarde,
 
(woestijnzon, Nagasaki, Oswiecim and we shall overcome),
 
het melk- en gifwit van de paardebloem
 
voor bittere konijnen (overal gejaagd)?
 
 
 
Ik kan de dag niet aan, tenzij met handen van klimop,
 
de zuignap aan de wakke muren van voorheen.
 
Soms vreet in mij (onzekere tanden, zei mijn vader;
 
hij stierf midden een meidag en de oorlog was voorbij)
 
 
 
de vrees: wie lacht om wie en waar
 
leef ik de dag ten dode zonder angst.
 
Ik zie mijn handen krimpen; winterharde vogels
 
eenzaam op ijs, de bekken pikkend in het licht
 
dat vis wordt onderhuids.
 
Dan raast in mij de wolf die (zonder zin) bestaat.
 
Morgen. Jaag ik morgen door de sneeuw,
 
gedreven door vergeten hoorns, gebrand
 
met alle merken uit het pakhuis van mijn schuld?
 
 
 
.....
 
Zet mij tussen grassen, wit
 
en schuldeloos tegen verweerde gevels aan
 
en binnen tuinen, tussen boom en lis en lucht.
 
Ik ben voor regen in verweerde zon beducht
 
en zeldzaam is de pen die mij
 
voorbij de dag, voorbij zijn honger schrijft.