Van onze redacteur

Met Van Eyck tot Dürer heeft het Groeningemuseum vanaf vrijdag zijn grootste en rijkste tentoonstelling in jaren in huis. Het is een echte ontdekkingstocht, zelfs voor de specialisten die in de voorbije dagen al een kijkje kwamen nemen.

Dat de Vlaamse kunstenaars in de vijftiende eeuw een brede internationale uitstraling hadden, was bekend. Zowel hun technische vernieuwingen, in het bijzonder het gebruik van olieverf, als het verbluffende realisme waarmee zij de natuur en allerlei stoffen (juwelen, fluweel, glas, vaatwerk...) weergaven, maakten een diepe indruk.

De invloed ervan in de mediterrane landen werd in de voorbije jaren grondig gedocumenteerd, onder meer op de tentoonstelling De Vlaamse Primitieven en het Zuiden in Brugge anno 2002. Maar de niet minder belangrijke beïnvloeding en wisselwerking met de Duitse gebieden, met Polen, Hongarije en zelfs de Baltische landen, werden nooit eerder in hun geheel op een tentoonstelling of in een publicatie behandeld. Daarom wekt Van Eyck tot Dürer een ongekende interesse.

Het succes van onze kunst werd in de hand gewerkt door gunstige omgevingsfactoren. Vlaamse steden als Brugge waren welvarende handelscentra die talrijke buitenlandse kooplui en bankiers aantrokken. Kunstenaars wisten dat ze daar lucratieve opdrachten konden versieren en kwamen er van heinde en verre op af.

Bovendien was de kunst van Van Eyck en kompanen het uithangbord van de luisterrijke Bourgondische hofcultuur, die in grote delen van Europa toonaangevend was. ‘Vlaamse kunst' was een kwaliteitslabel. Schilders wisten dat zij meer geld konden vragen voor hun werken als zij de composities, de figuren en de natuurgetrouwe weergave van de Vlaamse Primitieven overnamen.

Emotioneel

De beïnvloeding verliep voor een flink stuk via tekeningen, die gemakkelijker circuleerden dan schilderijen. Jonge kunstenaars die een tijd in de Nederlanden kwamen werken, kopieerden er naar hartenlust de plaatselijke meesters en namen die bladen mee naar hun land.

De tentoonstelling hangt de werken van de Centraal- en Oost-Europese kunstenaars naast de Vlaamse voorbeelden. Voor het merendeel gaat het om schilderijen, maar het verhaal is ruimer dankzij de schitterende beelden, miniaturen en tekeningen die de curatoren naar Brugge wisten te halen. De bruiklenen komen zowel uit internationale topmusea als uit Oost-Europese kerken en musea waar nauwelijks toeristen komen.

De blikvangers zijn niet alleen bekende namen zoals de Keulse meester Stefan Lochner (met een heerlijke Geboorte) of Martin Schongauer, maar vooral de tientallen kunstenaars van wie de naam bij ons onbekend of zelfs compleet vergeten is. Het wemelt op de tentoonstelling van anonieme virtuozen zoals de Meester van het Ehningen-altaar of de Meester van de Darmstadt-passie.

De kwaliteit van de Centraal- en Oost-Europese meesters is ongelijk. Sommigen probeerden wat onhandig de Vlaamse voorbeelden te verbinden met hun lokale traditie. Anderen ontwikkelden zich tot superieure kunstenaars die voor hen niet moesten onderdoen. Wat opvalt, is de ontwapenende emotionaliteit van veel meesters. Een warm gevoel doorstraalt in het bijzonder hun weergave van het leven van Christus. Wie dit ensemble kan bekijken zonder ontroerd te worden, is een beklagenswaardig mens.

Van Eyck tot Dürer maakt ook duidelijk dat er geen eenrichtingsverkeer was. De Vlaamse kunstenaars werden gretig nagevolgd, maar tegen het einde van de vijftiende eeuw begonnen zij op hun beurt, vooral dankzij de prenten van Schongauer, Duitse vondsten over te nemen.

Die ontwikkeling culmineerde in de figuur van Albrecht Dürer, wiens reis door de Nederlanden een enorme weerklank had. De portretten van Dürer in de laatste zaal (het mansportret Bernhard von Reesen staat op de cover van deze DS2) vormen het orgelpunt van de tentoonstelling.

Je ziet er hoe een genie als Dürer, die de renaissance had opgesnoven, de rollen omkeerde: zijn beroemde Heilige Hiëronymus, waarvoor een 83-jarige Antwerpenaar model stond, werd prompt gekopieerd door kunstenaars in de Nederlanden. Zo was de cirkel rond.

Groeningemuseum, Brugge, van

29 oktober tot 30 januari, dagelijks 9.30-18 uur.